Op excursie
Veenvernatting:
wat gebeurt er met je gras als het waterpeil omhooggaat?
Een hoger waterpeil kan het veen langer behouden, maar wat betekent dat voor de grasmat en de bedrijfsvoering van een boer?
Op uitnodiging van het samenwerkingsverband project Veenvernatting Akkrumer Goedland gingen we tijdens een excursie met vertegenwoordigers van verschillende Friese landbouwpartijen het land in bij één van onze veenvernatters in Akkrum.
De eerste ervaringen en onderzoeksresultaten geven interessante inzichten.
Veenvernatting klinkt misschien eenvoudig: je zet het waterpeil hoger en daarmee blijft het veen natter. Maar op een agrarisch bedrijf is de werkelijkheid natuurlijk een stuk ingewikkelder.
- Want wat gebeurt er vervolgens met het gras?
- Verandert de samenstelling van de grasmat?
- Kun je nog dezelfde opbrengst en voederwaarde halen?
- Hoe kun je het perceel nog gebruiken?
Dat waren enkele van de vragen die centraal stonden tijdens dit bezoek op uitnodiging van het project Veenvernatting Akkrumer Goedland. Mede geïnitieerd was door de mensen van Veenweideprogramma Friesland.
Eerst praten, daarna het land in
De bijeenkomst begon vanwege het wisselvallige weer binnen, in Theeschenkerij Nije Skou van de familie Van Keimpema. Zij zijn ook deelnemer van het project Veenvernatting Akkrumer Goedland. De aftrap werd gedaan door Bouwe Bakker (landbouwadviseur Veenweideprogramma Fryslân) en Albert van der Ploeg (voorzitter Akkrumer Goedland). Onder het genot van koffie en verse sûkerbôle en roomboter van leveranciers uit de eigen streek vertelde onze projectleider Michiel Sybesma over de stand van zaken van het project en over wat we in de praktijk zien en ervaren.
Daarna gingen we het land in. Want juist daar wordt zichtbaar wat een hoger waterpeil in de praktijk betekent.
Rinke van Keimpema, één van de deelnemende veenvernatters vertelde over zijn ervaringen sinds de start van het project, inmiddels twee jaar geleden.
Vervolgens gaf Durk Durksz uitleg over de effecten van een hoger waterpeil op de botanische samenstelling van de grasmat en daarmee op de voederwaarde. Hij monitort voor Veenweideprogramma Friesland het verloop van dit experiment.
![]()
Wat weten we inmiddels over het gras?
Vanaf 2022 doet het Veenweideprogramma onderzoek naar de effecten op de vegetatie van een hoog peil. Dan gaat het om de samenstelling, voederwaarde en opbrengst (voederwaarde van het grasgewas en de opbrengst in kgds (kilogrammen droge stof gras) Bij een twintigtal boeren zijn in de afgelopen jaren ongeveer 500 grasmonsters genomen. Daarbij is bewust gekeken naar percelen met maximaal 40 centimeter ontwatering. Over diepere ontwatering is al veel onderzoek gedaan, maar over relatief natte agrarische percelen is nog veel minder bekend.
Het onderzoek in onder meer Idzega en Aldeboarn-De Deelen moet daar meer inzicht in geven.
De eerste metingen laten een wisselend beeld door het jaar heen zien. In het begin van het groeiseizoen zijn de resultaten nog behoorlijk goed. In de zomer kan de voederwaarde tegenvallen en in de herfst zijn grote uitschieters zichtbaar.
Wanneer de resultaten worden vergeleken met percelen die 20 tot 30 centimeter dieper ontwaterd zijn, ontstaat het beeld dat een hoger waterpeil een risico kan vormen voor de voederwaarde van het gras.
Maar er is meer aan de hand dan alleen de hoeveelheid gras die er groeit.
Een natter perceel krijgt een andere grasmat
Een hoger waterpeil heeft invloed op de soorten die zich in een perceel thuis voelen. Grassen die onder drogere omstandigheden goed gedijen, doen het op vernatte percelen minder goed.
![]()
Zo nemen Engels raaigras en ruwbeemdgras af. Veldbeemdgras kan zelfs vrijwel verdwijnen. Daarvoor komen andere soorten terug die over het algemeen een lagere voederwaarde hebben, zoals geknikte vossenstaart. Vooral de pitrus neemt toe, eerst in de greppels en daarna op de natste plekken. En daarmee ontstaat een belangrijk aandachtspunt voor melkveehouders: een natter perceel kan niet zonder meer dezelfde grasproductie en voederkwaliteit leveren als een droger perceel. Dat betekent overigens niet dat de kwaliteit van het gras op een natter perceel per definitie slecht is.
Tijdens de excursie kwamen juist voorbeelden voorbij die laten zien dat ook de manier waarop een boer met zijn gras omgaat verschil kan maken.
Goed gras (met een hoge voederwaarde) begint met goed kijken
Op een aantal percelen van biologische boeren werden relatief hoge voederwaarden gemeten. Zij blijken anders naar hun gras te kijken. Niet alleen de hoeveelheid gras bepaalt het moment van maaien. Zij kijken veel meer naar de ontwikkeling en kwaliteit van het gewas. Vaak maaien zij ongeveer iedere vier weken. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het bloeistadium van het gras. Zoals tijdens de excursie werd uitgelegd: “Als het gras te vroeg gemaaid wordt, heb je te veel stikstof in het gras dat nog niet door de zon is omgezet naar eiwit.”
Op armere grond kan gras eerder gaan bloeien. Een praktische vuistregel is dat niet meer dan ongeveer 10% van het gras in bloei zou moeten staan. Zodra het gewas verder doorschiet, gaat de voederwaarde snel achteruit.
→ Dus maai voordat er of als er 10% in bloei staat.
Niet minder vaak maaien, maar lichtere snedes maaien
Dat leidt tot een interessant inzicht. Een extensiever of natter perceel betekent niet automatisch dat je het gras maar langer moet laten staan.
Integendeel. De gedachte “er staat minder gras, dus we maaien minder vaak” kan juist averechts werken. Ook op een natter perceel blijft het belangrijk om het gras op tijd te maaien en te voorkomen dat het gaat bloeien. Want de snel bloeiende grassen zijn ook qua voerderwaarde de slechtere grassen.
Het verschil zit vooral in de opbrengst per snede. Waar je op een intensiever perceel misschien gewend bent om een bepaalde hoeveelheid gras te oogsten, moet je op een extensiever perceel accepteren dat de snedes lichter kunnen zijn.
Niet wachten op meer gras, maar oogsten wanneer het gras kwalitatief op zijn best is.
Dat vraagt wel om een andere manier van kijken en plannen.
Water en hoogte: geen perceel is hetzelfde
Tijdens de excursie werd nog iets anders duidelijk: binnen één perceel kunnen de omstandigheden behoorlijk verschillen.
Op het bezochte perceel was het hoogteverschil ongeveer 50 centimeter. Dat lijkt misschien een detail, maar voor de waterhuishouding maakt zo'n verschil veel uit. Het ene deel van een perceel kan aanzienlijk natter zijn dan het andere deel en daar is in een natte periode niet of nauwelijks meer te rijden of te weiden. Lokale aangepaste waterpeilen kunnen een goede oplossing zijn.
Ook dit laat zien waarom oplossingen voor veenvernatting niet zomaar overal hetzelfde kunnen zijn. De bodem, de hoogte, de waterhuishouding en het agrarische gebruik spelen allemaal een rol.
Dit jaar was bovendien veel meer pitrus zichtbaar dan vorige jaren op de verschillende percelen. Pitrus voelt zich goed thuis onder natte omstandigheden. Voor de melkveehouder is dat minder goed nieuws: de plant heeft een hele lage voederwaarde en wordt niet door rundvee gegeten. Het groeit het hele jaar door en bloeit van juni tot oktober. Paarden, ezels en geiten eten overigens wel pitrus. Met vaak maaien en goed bemesten, kun je een woekering van pitrus voorkomen. In dit project wordt ook de ontwikkeling van pitrus gevolgd.
![]()
We zien nog maar een deel van het verhaal
De metingen waarover tijdens de excursie werd verteld, geven vooral inzicht in de landbouwkundige effecten van een hoger waterpeil: de grasgroei, de samenstelling van de grasmat en de voederwaarde.
Maar daarmee is het verhaal niet compleet.
Wat gebeurt er onder de grond? In hoeverre wordt de afbraak van het veen daadwerkelijk afgeremd? En wat betekent een hoger waterpeil voor de biodiversiteit en het bodemleven?
Die vragen zijn minstens zo belangrijk, maar zitten niet in deze metingen.
Dat maakt het extra belangrijk om voorzichtig te zijn met conclusies. Veenvernatting heeft effecten op verschillende onderdelen van het systeem. De uitdaging is om die effecten gezamenlijk in beeld te brengen en niet alleen naar de grasopbrengst te kijken.
De praktijk als leeromgeving
Juist daarom zijn dit soort excursies waardevol. Onderzoekers brengen kennis mee, boeren brengen jarenlange praktijkervaring mee en landbouworganisaties kijken vanuit hun eigen achterban naar de ontwikkelingen.
Door samen het land in te gaan, ontstaat een gesprek dat je aan een vergadertafel minder gemakkelijk voert.
Want de belangrijkste vraag is uiteindelijk niet alleen óf we het waterpeil kunnen verhogen, maar vooral:
Hoe zorgen we ervoor dat een hoger waterpeil past bij de mogelijkheden van het perceel én bij een bedrijf dat daar zijn inkomen uit moet halen?
Daarvoor zijn geen simpele standaardantwoorden. Wel kunnen praktijkervaring en onderzoek samen steeds meer inzicht geven in wat waar en onder welke omstandigheden werkt.
Samen zoeken naar wat wél kan
Na de excursie gingen de gesprekken verder tijdens de lunch, uiteraard wederom met producten Fan eigen Grûn. Onze penningmeester Albert van Zadelhoff vertelde over het coöperatiemodel en de manier waarop we vanuit samenwerking aan de toekomst van het gebied werken.
Want veenvernatting is uiteindelijk meer dan een technische ingreep in de waterhuishouding. Het raakt de bodem, het water, de natuur, de landbouw én de omliggende omgeving. Vandaar dat het belangrijk is voor Akkrumer Goedland om vooral ook de mienskip erbij te betrekken.
Door kennis te delen, ervaringen uit te wisselen en ook eerlijk te kijken naar de knelpunten, kunnen we stap voor stap ontdekken welke mogelijkheden er zijn.
Niet één oplossing voor ieder perceel, maar samen zoeken naar oplossingen die passen bij de grond, het water en het boerenbedrijf.